Logo Paswoord

Portfolio – Wielerverhaal

Wielerverhaal is een site voor de professional en de liefhebber. Paswoord voorziet geregeld columns over renners en wedstrijden. Klik hieronder enkele voorbeelden aan

Wielerverhaal

De Marmotte

La Marmotte10 november 2016. In een mix van interne impuls en externe stimulans neem ik plots een beslissing waar ik 5 jaar geleden nooit aan gedacht zou hebben. “Ik ga de Marmotte rijden, in juli 2017”, spookte door mijn hoofd. “De wat?”, vroeg mijn vrouw nietsvermoedend. “De Marmotte, de wereldvermaarde Alpenklassieker voor wielertoeristen. 174 kilometer tegen jezelf en 4 Alpencols vechten”, zei ik. “Hoeveel tijd krijg je daarvoor?”, vroeg ze. “Oh, op een dag, tussen licht en donker moet het gefikst zijn”. De wijsvinger ging naar haar hoofd en ook mijn omgeving dacht dat ik mijn leven beu was.

De Marmotte dus. Een trip over de Glandon, de Télégraphe, de Galibier en als toetje nog de 21 bochten van Alpe d’Huez waar de aankomstlijn is getrokken. Als beginnend wielertoerist – zowat 15 jaar geleden – werd ik al moe van een verkeersdrempel en een brug over het kanaal. Puffen en zwoegen, de rol lossen als het wegdek amper 1% omhoog keek. Dat veranderde als er kasseien op de weg lagen: knallen als een halve wilde, midden over het porfier, shaken en denderen … en het ook nog leuk vinden. In die omstandigheden leerde ik – goed getraind deze keer – de kinderkopjes van de Ronde van Vlaanderen kennen, maar ook de Vlaamse Ardennen. “Tiens, die knoertige heuvels hebben toch wel hun charme”, bedacht ik me. Even doortrekken en boven de hartslag weer kalmeren.

De heuvels bevielen me en meteen richtte het vizier zich op de Zuid-Nederlandse en Ardense beklimmingen. Wat trainen op het molentje, wekelijks een keertje extra op de spinbike, de conditie wat verder aanscherpen en hop… elk hellend vlak moest eraan geloven. En het moest nog verder… èn nog hoger. De Vogezen doemden op maar verzadigden nog niet helemaal. Daar waar de Tour geschiedenis schrijft, daar moest ik zijn: de Alpen. En dan kwam die 10de november 2016. De Marmotte – lang mentaal een gigantisch schrikbeeld van onmogelijkheid – werd een realistische droom. “Zou ik dat toch kunnen?” “Maar ja, waarom niet”, beweerden nog 4 andere gekken uit mijn dorp: Jo, Steven, Koen en Johan. Voilà, de inschrijving gebeurde in één moeite en de trainingsarbeid van 8 maanden kon beginnen.

“Op 1 voorwaarde”, zei mijn vrouw. “Dat je je professioneel laat begeleiden en geen zotte dingen doet.” Ik zocht Kurt op, sportcoach, en kreeg wekelijks een aangepast trainingsschema van uren, wattages, versnellingen en recuperatie aangereikt. 5000 kilometer zou ik op de vooravond van de Marmotte op de teller hebben staan, al fietsend, mountainbikend en spinbikend. En zo gebeurde…

2 juli 2017. In het centrum van Bourg d’Oisan, hartje Alpen, staat een renner met klamme handjes en een bang hartje aan de start van de Marmotte. Te midden van 8000 à 9000 deelnemers bedenk ik me om 8.00u ’s morgens dat ik net zo goed ook thuis in mijn bed had kunnen liggen. “Nee, ik moest zo nodig die Marmotte rijden, eigen schuld, dikke bult”. Met zelfverwijt en laattijdig beklag raak je geen berg op en dus vermannen we onszelf. Naast me gaat een Spanjaard – zowat alle nationaliteiten zijn Marmotte-zot – van pure miserie de bosjes in om een flink pak ballast te lossen. Zijn vrienden gieren zich te pletter, de geur maakt vertrekken iets gemakkelijker. De massa zet zich in beweging, flink aangemoedigd door een enkele joelende dorpsbewoner.

Na een tiental kilometer kruipt de Glandon onder de wielen, een brok van 24 kilometer. Uit natuurlijke schrik voor wat gaat komen temporiseer ik meteen en zoek ik een ritme onder mijn limiet. Dat gaat goed, ik kan een hele rist Marmotters achterlaten. Mijn fietsmaten zijn er op dat moment al vandoor en ik zal ze pas heel laat weer terugzien. Er passeren me renners die zo zwaar hijgen, dat ze de lucht uit hun tenen moeten halen. “Onmogelijk dat die straks aankomen”, sus ik mezelf. “Hoe zit het met mijn eigen hartslag en ademhaling? Oké, lekker strak, alles onder controle, verder.” De top nadert als het einde van een slechte film: niet. Het wordt mistig en koud. Op enkele honderden meters van de top staat Evert, een fijne kerel uit Meeuwen, die we in de Alpen hebben leren kennen. Hij heeft een hele week lang deelnemers begeleid met Tour de Vacances, een fietsorganisatie. Hij reikt een verfrissende Cola en een deugddoende ruggenduw aan. Ik kruis de top en voel me nog relatief fris. De afdaling is gevaarlijk bochtig en koud, maar hoe dieper je zakt hoe warmer het wordt. Het broodnodige winterjasje op de top wordt een bron van zweetellende in de vallei en verdwijnt in de achterzak. De benen voelen weer top.

De volgende uitdaging is de Télégraphe, maar eerst moet ik de vallei nog overbruggen door een goed groepje te zoeken dat mijn tempo rijdt. Ik laat een groepje rijden en wacht… om vast te stellen dat ik uiteindelijk 50 man achter me heb hangen. “Uitzakken jongen, jij moet hier niet de kop trekken”, zeg ik zowaar hardop en de meute dendert voorbij.

De Télégraphe loopt lekker… althans de eerste kilometers. Vlotjes glijd ik omhoog, maar daarna stokt het ritme. Ik weet eerst niet goed waarom, maar glijden wordt een beetje lijden en alle gepasseerden worden nu voor mij passanten. Ik moet ze één voor één laten voorgaan. “Heb ik nu op mijn adem getrapt? Neen, ademhaling en hartslag zijn nog altijd oké… Wat is het dan?” Mijn maag en darmen beginnen stilaan op te spelen. Er rammelt en dwarrelt vanalles door mijn spijsverteringsstelsel en meteen weet ik wat er scheelt. “Die verdomde gelletjes, energierepen, sportdrank”, vloek ik. Als wielertoerist moet je ze wel eten, want je hebt nood aan suikers, zouten, enz. Maar wanneer heb je daarvan te veel? Of te weinig? Of genoeg? Ik weet dat niet en ik voel dat ook niet. “Je moet eten om de honger voor te zijn”, is het aloude gezegde. Goed, maar op een bepaald moment voel je je als een opgevulde kerstkalkoen, bang om toch maar geen hongerklop te krijgen. Een hongerklop had ik allerminst. Ik had het gevoel dat de repen de plaats van mijn longen en spraakorgaan hadden ingenomen. Ook in de onderste darmregionen was het oorlog. Op de top van de Télégraphe staat een cafeetje. En in dat cafeetje was een wc’tje. Ontluchting en opluchting. Meer moet er niet gezegd.

Ik trek verder naar Valloire, de vallei tussen de Télégraphe en de Galibier. In die vallei eet ik maar weer stevig. Geen honger, maar eten jongens! De Galibier is het monster van de Alpen, klimmen naar 2600 meter hoogte. Met herwonnen moed pak ik de eerste lange stroken aan en het gaat wonderwel super. In de eerste 8 kilometer passeer ik honderden puffende renners, die er duidelijk veel erger aan toe zijn dan ik. Vanaf Plan Lachat knikt de Galibier het percentage een stuk hoger. En nog blijf ik pompen. “Het komt goed”, zeg ik nog… Terwijl ik het durf denken overkomt me hetzelfde als de col ervoor: darmlast. Opnieuw die verdomde energietoestanden die me de das omdoen. Je kan daar op trainen in de maanden ervoor, maar tijd heeft niemand te veel. Mijn lichaam weet met andere woorden niet wat het meemaakt en sputtert – net niet spettert – tegen. Nog 6 kilometer gas geven, maar dat is niet de geschikte terminologie op dit moment. Het worden lange kilometers en ik denk dat ik door die honderden van straks weer opnieuw voorbijgestoken wordt. Verdomme toch… Op een kilometer van de top staat er een vervallen – en voor alle duidelijkheid: onbewoonde –  chalet. Ik acht mijn moment en plaats gekomen, duik achter de gevel en plaats mijn merkteken. Ontluchting, opluchting… maar ondertussen ook veel verzuchting. “Hoe ga ik in godsnaam nog Alpe d’Huez bedwingen in deze omstandigheden?” Enfin, we kunnen niet anders. Als fietser weet je één ding met zekerheid: je moet blijven trappen, want anders kom je niet aan de finish. Logisch, maar deze zekerheid geeft je eigenlijk geen keuze. Ik moet verder. Nu, opgeven staat nog altijd in mijn woordenboek, maar heel fijn vind ik het toch niet meer, op dit moment.

In de buurt staat ook Robbert, de baas van Evert van Tour de Vancances. Ook hij staat zijn gasten op te wachten om ze met raad en daad, voeding en drank bij te staan. Hij herkent me en biedt me zoutnootjes aan om het zoutpeil in mijn lichaam te onderhouden, heel belangrijk en zeer nobel. Ik wil weigeren wegens mijn gastronomische voorgeschiedenis van die dag, maar kan de raad van een expert toch niet in de wind slaan. Stel je toch eens voor dat ik de resterend kilometers niet kan afmalen door zoutgebrek. Ik vouw mijn rillende handen open – op de top van de Galibier was het amper 2 graden -, ontvang een kluit nootjes, prop ze onhandig en integraal in mijn mond, spring op mijn fiets en rijd verder met nog 1 kilometer klimwerk op de Galibier voor de boeg. Op een gewone zaterdagavond voor de televisie heb ik geen moeite om deze rommel te verteren, maar mijn lichaam protesteert hevig. Wat ik ook doe, ik krijg de gortdroge nootjes – waar mijn speeksel ondertussen al alle zout van heeft afgeschilferd en verwerkt – niet doorgeslikt. Ik verstop ze een tijdje eekhoorngewijs in de wangzakken maar kan amper nog ademen. Hop, primitiviteit neemt weer de bovenhand. Zonder na te denken spuw ik al rijdend de brokken nootjes uit. Het achteropliggend verkeer moet gedacht hebben dat het toch wel heel erg slecht met mij ging. Eerlijk? Op dat moment was het ook zeer zwaar. Die laatste kilometer van de Galibier is a bitch: huiveren van de koude, harken als de beste tuinman en ondertussen strijd leveren met je spijsvertering. Ik heb Galibier leren kennen, maar hij mij ook!

Tussen de top van Galibier en de voet van Alpe d’Huez liggen maar liefst 50 kilometer afdaling. In gestrekte draf zoef ik naar beneden, aan de zonkant dan nog. Het wordt aangenaam warm – niet van de inspanning deze keer –  en de ‘moral’ staat weer in het zenit. Maag, darmen en benen zijn rustig en ik krijg zowaar opnieuw zin om een nieuwe col te beklimmen. De recuperatie vlot dus wel, ondanks alles. De Alp dus, het zicht op de meet. Nog 15 kilometer de laatste restjes energie(repen!) aanspreken.

Het begint opnieuw goed, maar de Alp is meteen oerend steil. Hij snijdt de benen af. Mijn computertje heeft ondertussen de geest gegeven met een platte batterij dus ik kan niet bevestigen dat ik amper aan 5 kilometer per uur omhoog kruip. Zo voelt het althans. En nog steek ik zielsgenoten voorbij. Die moeten dan zowat drie kilometer per uur gereden hebben. Hogerop krijg ik een goed zicht naar beneden en overal wurmt het nog van de vloekende lijken die zich naar de top hijsen. Gigantisch veel renners rijden er nog. Ik ben dus op enkele duizenden na niet de laatste, hoewel mijn gevoel een ander resultaat aangeeft. In iedere bocht zitten renners op de muurtjes in de lucht te turen, zich afvragend of ze werkelijk nog gaan doorfietsen. Gek, maar het geeft een egoïstische vorm van moed. “Blijkbaar ben ik niet de enige sukkelaar. De hele berg hangt er vol van!” Buiten de geurige incidenten op de Télégraphe en de Galibier en uiteraard de bevoorradingsposten, ben ik nergens afgestapt. Ondertussen was ik verzeild geraakt in een gesprek met mezelf. Hardop nog wel, alsof er iemand naast me reed. “Ben je nu zo moe dat je moet afstappen? Nee, eigenlijk niet! Alleen vind ik dit getreuzel en gesleep niet meer fijn en ik wou dat ik boven was… Oké, dan zaag niet en trap verder. Nog 10 bochten te gaan. Komaan!”

Tussen bocht 7 en 6 – de bochten tellen af naar de top – staat Evert daar weer voor zijn gasten van Tour de Vacances, maar ook voor mij en mijn fietsmaten. Opnieuw Cola en een flinke duw en daar gaan we weer. Even later rijdt hij naast me. We zijn allebei koersgek en springen van het ene onderwerp naar het andere. Praten – al is het niet veel – lukt nog wel. Vooraleer ik het besef zit ik aan bocht 1 op een goede kilometer van de top. Evert heeft me erdoor geleid. En yes, daar rijd ik over de aankomst! Johan, Steven, Koen en Jo zijn ondertussen – in die volgorde – al een tweetal uren aangekomen. Geen leedvermaak of zo. Neen, dolle vreugde eigenlijk dat iedereen het veilig en wel gered heeft. Ze duwen me een frisse pint onder de neus die in één gulp verdwijnt. Geen lichamelijk protest. Eindelijk geen energizers meer. Ik krijg zowaar een emotionele krop in de keel en kan even niet meer praten. Ik ben nochtans redelijk nuchter in die zaken maar vermoeidheid, blijdschap, ijle lucht en een dag van darmproblemen nemen blijkbaar even over in een moeilijk momentje. Dat is van korte duur, want iedereen heeft zijn verhaal van de dag. Leuk om naar te luisteren!

We hebben het gehaald en achteraf ook goed verteerd. De volgende dagen was er van stijfheid of vermoeidheid nauwelijks sprake, de recuperatie verliep voortreffelijk. Of het beter en sneller had gekund? Zeker wel, want dat ongetrainde gastro-intestinale stelsel heeft zwaar afgezien… en daardoor ik ook. Maar een topwielrenner is er aan mij ook niet verloren gegaan, eerlijk gezegd. Ik klim graag maar deze klip was voor mij net op het randje van het haalbare. Het staat op mijn palmares, maar of ik nog terugkom naar de Marmotte, durf ik hardop te betwijfelen. Het mooie Marmotte -wielertruitje dat ik mezelf cadeau deed is wel een dankbare herinnering.

Link: https://wielerverhaal.com/2017/08/07/onze-redacteur-waagde-zich-aan-de-marmotte-en-dat-liep-maar-net-goed-af/

De Ronde bewonderen

RVV-LogoDe Ronde bewonderen…

Zaterdag 6 april 2019. Ondergetekende wielergek waagt zich een hele dag aan de Ronde van Vlaanderen voor wielertoeristen. U kent hen wel… Het soort dat op zondagvoormiddag lak heeft aan verkeersregels en toeterende automobilisten, wordt als beloning urenlang verwend met een politionele voorkeursbehandeling. Auto’s wachten en schuiven, fietsers lachen en wuiven.

Ondanks kilometers kasseien met karakter, bolt het vlot. Tot de ogen tijdens de beklimming van de Eikenberg van bewondering uit hun kassen rollen. Een jongeman passeert de hele meute… op één wiel. Hobbelend op de ronde stenen balanceert en manoeuvreert Hij kunstig zijn vehikel naar de top. Wie niet goed beseft wat dit betekent, check this… De Eikenberg is een klim van 1,2 kilometer aan een stijgingspercentage van 5,4% gemiddeld. Kasseien dus. Tussen  16.000 andere fanatiekelingen die allemaal denken dat ze onklopbaar zijn. En dan komt Hij. Het lijkt fysisch niet mogelijk maar Hij doet het.  Iedereen in de buurt schudt het hoofd en denkt hetzelfde. ‘Hoe kan een mens zo getalenteerd zijn, terwijl de rest verder sukkelt’.

Naam en nummer zijn onbekend, maar noem Hem maar Wheelie, lees Willy. Wel Willy… Wow!

Zondag 7 april 2019. Ondergetekende wielergek waagt zich een hele dag aan de Ronde van Vlaanderen voor profs, vanuit de luie zetel weliswaar. Het wordt een vreemd spektakel met de relatief onverwachte Alberto Bettiol als winnaar. Maar dat is niet het opvallendste nieuws. Een jongeman passeert de meute op het trio Oude Kwaremont, Paterberg, Koppenberg. Na een passage door een bloembak, die overigens niet in het road book stond, weet Hij in eerste instantie nog meterslang rechtop te blijven met een gebroken voorwiel. Hij weigert om te vallen, ook al kan je natuurkundig gezien niet staande blijven met dat euvel. Hij steekt – nog altijd al rijdend –  zijn hand in de lucht.Waarschijnlijk om dat gebroken voorwiel te wisselen, maar mogelijk vroeg Hij zichzelf af of het wel nodig was. Uiteindelijk dwingt een waterputje hem tegen de grond, omdat anders de wetten van de fysica toch wel grondig herschreven moeten worden. Hij smakt op het trottoir, blijft even zitten, grijpt een nieuwe fiets en begint als een torpedo te trappen.

Hij sloopt de hellingen, slibbert tussen alle getergde lijven, sleurt aan de kop van achtervolgende groepjes, slurpt alle tegenstanders op en sluit weer aan. Vermoeidheid? Kent Hij niet. Tegenwind? Voelt Hij niet. Weerstand? Deert Hem niet. Een bloemenperk op de weg? Springt Hij even over. Zou Hij ook over water kunnen wandelen? Waarschijnlijk wel…

Zijn naam en nummer worden steeds bekender. MvdP, Meester van de Pedalen, Man van de Power… Mathieu Van der Poel. De clown van het (Corendon) circus, de Einstein van de fiets.

Willy kan het, MvdP kan nog zoveel meer. Talent is niet eerlijk verdeeld, maar het is zo mooi om te bewonderen in Hij die alles kan.

De schoonheid van wielrennen in één lichaam. Amen.

Link: https://wielerverhaal.com/2019/04/08/mvdp-meester-van-de-pedalen-man-van-de-power-zou-hij-ook-over-water-kunnen-wandelen/

Jerome Cousin

Parijs NiceEr zijn veel wielerfiguren van de week op te noemen… Marc Soler wint Parijs-Nice.  Tim Wellens, Dylan Teuns, Ben Hermans en Tiesj Benoot eren de Belgische driekleur met knalprestaties. Bradley Wiggins en Chris Froome staan (weeral!) ter discussie met een schimmig verhaal van ‘morele doping’. En toch kiezen we voor een relatief onbekende Fransman, die donderdag de spotlights opzocht: Jérôme Cousin van Direct Energie

Wat Cousin afgelopen donderdag opvoerde was een stukje hogeschool-profitariaat. In de rit naar Sisteron was hij op pad met de ranke Duitser Nils Politt. De twee werden flink onder druk gezet door het achtervolgende peloton, maar Cousin vertikte het kilometerslang om uit het wiel van Politt te komen die zijn hart en ziel legde in de ontsnapping. Het logische gevolg … Cousin sprintte doodleuk naar winst en liet een verbouwereerde Duitser achter. Aan het einde winnen de Duitsers altijd… maar deze keer niet.

Zijn commentaar achteraf was even laconiek als zijn koersgedrag. ‘Ik heb Politt met de ballen gerammeld’ liet hij weten en daarmee was kous af. Een klein Jeromeke met andere woorden. Wieltjeszuigen, profiteren, een medevluchter de kastanjes uit het vuur laten halen en tegelijk een mes in de rug steken. Er zijn leukere figuren om mee op pad te gaan. Thomas De Gendt was ’s anderendaags duidelijk geprikkeld. Hij sprintte – puur uit walging voor zoveel respectloosheid – tegen Grellier, een ploegmaat van Cousin, de bergen op en ontfutselde hem de bollentrui. Met een leuke uitsmijter achteraf verklaarde De Gendt zijn actie: “Ah, ik wilde hem gewoon even met de ballen rammelen”, duidelijk refererend naar de oneliner van Cousin.

Cousin is een vreemde vogel. Eentje met een stevige baard overigens, die hij meermaals zal gebruiken om zijn eigen uitzonderlijk gedrag weg te krabben. Eigenlijk is Cousin een luis in de pels van het peloton. Zo eentje die overal tussendoor fietst, eigenlijk niet voor zijn vak leeft maar klasse te over heeft om toch mee te doen voor de prijzen. Toen hij voor Cofidis reed slaagde hij er maar enkele dagen in om op de fiets te kruipen. Zijn verklaring was vintage Cousin: “Hoe dat komt? Tja, ik was vooral bezig met golfen.”

Het peloton houdt niet zo van die types die van meerdere walletjes eten. Akkoord, de beste renner ter wereld, Peter Sagan, stelt ook opvallend gedrag, maar hij heeft met zijn prestaties en spontane grappen en grollen zoveel krediet opgebouwd dat het rock’n roll-gedrag hem vlotjes vergeven wordt. Dat is anders voor Cousin die nog niets bewezen heeft en dan plots zo onsportief uitpakt.

Wat wel voor hem spreekt… Net omdat de man nog niets bewezen heeft, zal hij alle truken van de foor gebruiken om een overwinning veilig te stellen. Waarschijnlijk heeft hij in zijn carrière al ettelijke kilometers voor niets gereden, zij het in dienst, in achtervolging, in een verloren ontsnapping of een chasse patatte. Het kon hem met zekerheid niets schelen hoe hij zou winnen… als hij maar zou winnen! Op die manier werd Italië in 2006 wereldkampioen met anti-voetbal en kroonde Griekenland zich op identieke manier tot Europees kampioen voetbal twee jaar eerder.

“Als dat allemaal kan, waarom zou ik, Jérôme Cousin, dan niet wat mogen slipstreamen en simpelweg de zaak afmaken?”, moet hij gedacht hebben. En zo geschiede…

Beklimmingen Luik-Bastenaken-Luik

Liege Bastogne LiegeLuik-Bastenaken-Luik is de moeder, de mooiste maar ook de ‘moordenaar’ der klassiekers. Een loodzware onderneming die, beklimming na beklimming, de benen afsnijdt en de adem doet stokken. Hij die deze aanslag op de weerbaarheid en uithouding overleeft mag zich terecht een overlever noemen. De rijke geschiedenis van La Doyenne wordt de laatste jaren een beetje ondergesneeuwd – komend weekend misschien letterlijk – door het passieve koersgedrag van de renners. Ze stellen hun aanval uit, kijken de kat uit de boom, zijn bang voor de counter. Steeds vaker dient een uitgedund peloton zich aan in de straten van Ans en moet de overwinnaar ook over een goede sprint beschikken. Nochtans ligt het parcours bezaaid met hellingen die met gemak het kaf van het koren kunnen scheiden. Een overzicht.

  1. Côte de la Roche en Ardenne, na 78 km

Een loper, ideaal om de benen te testen. Een klim van 2,8 kilometer met een gemiddeld stijgingspercentage van 6%. Voor de geoefende klimmer een niemendalletje, zeker als het tempo in het peloton nog laag ligt. De benen peddelen dit behapbare stukje vlotjes weg. Het wordt wel even slikken naar het einde toe, wanneer de weg een halve kilometer tot 9% in het nadeel helt. En toch, wie hier al moet terugschakelen uit ‘ongemak in de benen’ mag zijn kansen op winst herleiden tot nihil.

  1. Côte de Saint-Roche, na 125 km

Een knaller van een klim in de buurt van Houffalize. Amper 900 meter lang met – jawel – een gemiddelde van 11%. Lang stukken van 14%, pieken tot 18%, maar naar het einde laat de helling je moegetergd vertrekken met stukjes rond de de 7%. Geen loper dus, maar een killer die bij momenten recht omhoog lijkt te lopen. De flauwe bochtjes onttrekken – gelukkig maar – het zicht op de volgende passages, want anders zou een gemiddelde wielertoerist er zelfs niet aan beginnen.

  1. Côte de Wanne, na 168 km

Een erg vreemde beklimming. Niet zozeer qua percentages – 2.7 kilometer aan 7% – maar wel qua beleving. Hij bezorgt je zowaar kleine fata morgana’s. De klim geeft je bij momenten de indruk dat er een ruststrook zit aan te komen, een stukje vlak of zelfs een beetje afdaling. Maar eens je op die stroken bent, trap je je stuk. Je kijk je naar je velgen om te checken of je niet op een lekke tube rijdt. Je verwenst je benen en twijfelt aan je zorgvuldig opgebouwde conditie. Niets van dat alles: die weg blijkt gewoon omhoog te lopen, stevig nog wel. ‘Vals plat’, zegt men dan. ‘Vals steil’ is beter.

  1. Côte de Haute Levée, na 176 km

Een drukke weg waarbij de rijstroken met betonblokken worden gescheiden. De klim is zwaarder dan hij op het eerst zicht lijkt. Aan de voet bij de verkeerslichten krijg je een duidelijke kijk op wat je te wachten staat: 3.6 kilometer aan een kleine 6%. Als je er een keer aan begint, vloeken de benen toch op zoveel stijging en zoeken ze uit wat er achter de bocht ligt. Niet onlogisch: het eerste stuk helt aan 10%.  Na de bocht lijkt het mee te vallen, klaarblijkelijk. Je hebt het gevoel dat je boven bent maar de Haute Levée heeft nog flink wat ‘vals plat’ in petto, tot enkele kilometers verder aan de rotonde. Net hier dreig je het absolute verzadigingspunt te bereiken.

  1. Col du Rosier, na 192 km

Een van de weinige Belgische beklimmingen die zich ‘col’ mag noemen. De Rosier is 4,4 kilometer lang en stijgt gemiddeld aan 6%. Een beklimming de veel lopende stroken heeft, maar ook  passages bezit waar je het verschil kan maken met je fietsgenoten. Eigenlijk bestaat de col uit twee stukken van 2 kilometer en een moment van rust in het dorpje. De Rosier schenkt je met een mooie en open haarspeldbocht een klein stukje hooggebergte en biedt bij warm weer ook voldoende verkoeling door de bosrijke omgeving. De klim eindigt op een T-splitsing, plots een bruusk. Niet dat het erg is want na 4,4 kilometer heb je het wel gehad.

  1. Col du Maquisard, na 204 km

Qua moeilijkheidsgraad is de Col du Maquisard vergelijkbaar met de Côte de la Roche en Ardenne: 2,5 kilometer aan 5%. Niet de zwaarste helling uit het lot, maar wel een hele mooie. De beklimming laat zich kenmerken door wijdse bochten en brede vlaktes. Je ziet al van ver waar je naar toe moet en ook het topje komt vrij snel in zicht. Er zijn ook nadelen: als er wind staat heb je hem vol op de snuit, als de zon brandt loopt je hoofd genadeloos aan.  Maar je krijgt er mooie uitzichten voor in de plaats en boven is er ruim plaats om even tot rust te komen. Voor toeristen welteverstaan… de profs zullen er vooral heel koelbloedig doorknallen.

  1. La Redoute, na 216 km

Het beest van Aywaille, zeg maar, thuisberg van Philippe Gilbert. Een knoert van een beklimming langs de autosnelweg. De gemiddelde cijfers doen niet meteen duizelen – 2 kilometer aan 9,5% – maar er zit een passage in van 20% die uiteindelijk overloopt in ‘doenbare’ stukken van 14%. Kijk vooral niet naar de toren links, want daar moet je naar toe, met een grote bocht. La Redoute is een mythische klim met o.a. het legendarische duel tussen Frank Vandenbroucke en Michele Bartoli. Tegenwoordig wordt de klim zoetjesaan bedwongen en ligt het zwaartepunt steeds dieper in Luik-Bastenaken-Luik.

  1. Côte de la Roche aux Faucons, na 232 km

De Valkenrots, een nieuwe LBL- uitvinding van de 21ste eeuw, die ver in de finale een bepalende functie heeft gekregen, zeker in de eerste jaren. Andy Schleck reed er naar zijn overwinning, Philippe Gilbert ook. De jaren nadien werd ook deze klim steeds minder beslissend en verschoof de finale nog verder, naar Saint-Nicolas en zelfs de straten van Ans vlak voor de meet. De eigenlijke klim is relatief kort en steil: 1,3 km aan 11%. Nochtans ligt er ook stukje rust tijdens deze beklimming. Het zwaartepunt ligt boven, in het erg glooiende stuk na de top. Je kan er 3 maal sterven en 4 maal herrijzen… als je wil winnen toch.

  1. Côte de Saint-Nicolas, na 246 km

Misschien wel de meest troosteloze en tegelijkertijd de meest bepalende beklimming in La Doyenne. Doorheen de wat verpauperde wijken slingert zich een weg de lucht in met een gemiddelde van bijna 9%, een dikke kilometer lang. Stroken van 15% inspireren de toppers en subtoppers tot hun moment de gloire, hun kans om alleen of in een klein groepje aan te komen. Het kaf is er nu echt wel af, enkel het koren fietst nog naar behoren. Traditioneel zijn de beklimmingen dan op, maar de straten van Ans zetten elk jaar opnieuw een zware pad in de korf van de vluchters, en zeker dit jaar.

  1. Côte de la Rue Naniot, na 250 km

Een nieuwigheid! Een stukje Vlaanderen in Luik: een kasseiklim van 600 meter aan 10,5%. Op 3.5 kilometer van de meet zullen kinderkopjes de moeder der klassiekers beslissen. Wie nog een eindschot maar geen sprint heeft kan hier ridder of mis spelen. Maar opletten geblazen. Opnieuw ligt de zwaar hellende strook in Ans vlak voor de meet, daar waar al zovele renners het verschil maakten of helemaal kapot gingen. Benieuwd of LBL met de Rue Naniot een flandrien als winnaar kent. De kans is klein.

Link: https://wielerverhaal.com/2019/04/27/deze-8-zware-hellingen-moeten-de-renners-bedwingen-in-luik-bastenaken-luik-2019/

Logo Paswoord

Wens je bijkomende informatie?

Aarzel niet om mij te contacteren als u bijkomende informatie wenst rond diensten of prijzen.

Menu